Schoolontwikkellab | nieuw en verbeterd!

Nu de pilot van het eerste schoolontwikkellab beschreven is, heeft de Meester! een verbeterde versie in de etalage. Lees meer voor de uitleg en achtergrond. Of vraag Meester!Een school die een schoolontwikkellab heeft, werkt (zelf) aan teamontwikkeling op maat;
– maakt een start met het ontwikkelen onderwijs van onderaf (‘geflipt’);
– overstijgt de ‘wat werkt’ vraag;
– start met het ontwikkelen van consistentie in beleid & uitvoering;
– krijgt theoretisch onderbouwd inzicht in de verschillende activiteiten op school;
– wordt begeleidt bij een eerste begin van het zelf ontwikkelen van tools voor de afstemming van die schoolse activiteiten.

Vrij naar Daniels en Engeström houdt een SchoolOntwikkelLab het volgende in:

  • In principe gaat het om 6 bijeenkomsten van tenminste twee uur (liefst met ruimte voor uitloop);
– docenten brengen casussen/situaties/vragen/problemen in waarin veranderingen/ontwikkeltrajecten/leertrajecten/leerlingprojecten en/of lessenseries aan de orde komen;
  • als groep analyseren we die m.b.v. de tools van Engeström/Akkerman & Bakker (activiteitssystemen, grenzen, zie verder);
  • we werken met drie borden (zie onderstaand voorbeeld) waarop we noteren:
    a) contradicties binnen en tussen systemen,
    b) tools,
    c) ideeën ter verbetering;
  • we zetten video in voor onderzoek en reflectie op eerdere bijeenkomsten;
  • we maken zo een start met school- en teamontwikkeling vanuit de bestaande praktijk, vergelijkbaar met Professionele leergemeenschappen)

Doel is grenzen en drempels te ontdekken en overkomen die school/onderwijsontwikkeling in de weg staan en zo over grenzen van systemen aan een gezamenlijk object te werken. Dat object kan klein zijn (interventies in de klas, een lessenserie), of wat groter (een gedeeld visiestuk, uitgangspunten voor beleid).
Vygotsky’s double stimulation is het methodologisch wetenschappelijk model. Double stimulation is de interventiemethode van Vygotsky waarbij niet zozeer alleen naar de uitkomst gekeken wordt, maar waarbij participanten een tool krijgen en de onderzoekers dan vooral kijken naar hoe die tool ingezet wordt voor een doel (dit is een veel te beknopte omschrijving. Voor een uitgebreide beschrijving zie Engeström, 2009). Zowel Engeström als Daniels gebruiken deze methode in hun ‘Developmentntal Work Research’, wat ik vertaald heb met SchoolOntwikkelLabs.
Het idee is dat onder leiding van onderzoekers de teams op zoek gaan naar contradicties in hun werk. Met behulp van de tools uit die de activiteitstheorie (zoals bijvoorbeeld de ‘driehoeken van Engeström, zie onderstaande figuur of concepten als zone van naaste ontwikkeling en scaffolding). Naast conceptuele tools, kunnen afhankelijk van de contradictie ook meer praktische instrumenten die al in het primair onderwijs gebruikt worden. Zoals bijvoorbeeld de doelencirkel, de systematiek van thematiseren, enz..

De contradicties zijn ‘problemen’, belemmeringen of vragen die vaak op de grenzen van verschillende systemen liggen, bijvoorbeeld tussen het team en de schoolleiding. Akkerman & Bakker (2011) hebben de rol die grenzen spelen verder onderzocht en gezien dat het bewust zijn van het bestaan ervan en/of het oversteken van die grenzen door ‘makelaars’ met behulp van grensobjecten, kan helpen bij het leren van individuen en teams.

 Een SchoolOntwikkelLab kan als ‘object’ waaraan gewerkt wordt een data-analyse hebben, vergelijkbaar met de datateams uit Twente (Schildkamp & Poortman, submitted). Datageïnformeerd werken in brede zin past prima binnen deze labs. Groot verschil met deze datagedreven onderzoeksaanpakker en de labs, is de nadruk op analyse en sturing vanuit theorie. Een schoolontwikkellab analyseert met behulp van de Activiteitstheorie van Engeström de processen en contradicties in de praktijk, terwijl datateams toch eerder van bestaande (kwantitatieve en kwalitatieve) data uitgaan, of in ieder geval een probleem analyseren dat met beschikbare data mogelijk opgelost kan worden.
De theoretische sturing zit op twee niveaus. Ten eerste is de methode van ‘double stimulation’  gefundeerd in de cultuurhistorische activiteitstheorie en wordt vanuit die theorie nog steeds verder ontwikkeld. Ten tweede zullen de tools die door de onderzoekers ingezet gaan worden ook uit die theorie komen, hoewel dat niet noodzakelijk is. (Ter vergelijking: in de literatuur over datateams wordt niet één  specifieke theorie benoemd, maar eerder onderzoek waarin definities geformuleerd worden en worden bij het formuleren van hypotheses ervaringen in plaats van theorie gebruikt (Schildkamp & Poortman, submitted)).

Meer lezen (in pdf hier een bundeltje waarin de pilot SOL beschreven wordt. Of vraag Meester!)

  • Akkerman, S., & Bakker, A. (2011). Boundary crossing and boundary objects. Review of Educational Research, 81(2), 132–169.
  • 
Daniels, H. (2008). Institutions as historical products: analyzing communicative action as it brings about change.
  • Engeström, Y. (2009). The future of activity theory; a rough draft. In: A. Sannino, H. Daniels, & K. D. Gutiérrez (Eds.), Learning and expanding with activity theory (pp. 303–328). New York: Cambridge University Press.
  • Engeström, Y., Virkunnen, J., Helle, M., Pihlaja, J., & Poikela, R. (1996). Change laboratory as a tool for transforming work (1996). Lifelong Learning in Europe, 1(2), 10–17.
  • 
Schildkamp, K., & Poortman, C. (submitted). Factors Influencing the Functioning of Data Teams. Teachers College Record. Retrieved from http://www.onderwijstraineeship.nl/uploads/tekstblok/factor_influencing_the_functioning_of_data_teams.pdf